Navigatie overslaan
Deelnemer Olympische Spelen 2006 in Turijn. Klik hier voor meer informatie.

De kick van een bobslee run!

Nog een keer!

De kick van een bobsleerun

Bobsleeërs praten altijd over de ultieme kick van een bobsleerun. Maar hoe laat dat gevoel zich omschrijven? Wim van Eck, verslaggever van Sport International, stapte tijdens het sponsorweekend in november 2004 bij Arend Glas in de bob en vloog in de Winterberg door de bocht. In het kerstnummer van SI heeft hij verslag gedaan van zijn ervaringen. Hieronder volgen uit dat artikel de passages over zijn belevenissen in aanloop naar en tijdens zijn eerste bobsleerun.

In een gesprek voorafgaand aan de afdaling van Wim van Eck vertelt Arend hem over zijn eerste afdalingen: “In 1992 maakte ik op de bobsleeschool in het Oostenrijkse Igls de eerste afdaling. Ik ging toen met zo’n negentig kilometer naar beneden. De adrenaline gierde door mijn lichaam en mijn hartslag liep op tot tweehonderd. Het gaat echt verschrikkelijk hard. Een run is niet te vergelijken met een achtbaan. Het gaat veel sneller en je wordt meer door elkaar geschud.” Het kost ook enige tijd voor het echt went volgens Glas: “Ik moet eerlijk zeggen dat ik de eerste twee jaar nooit rustig aan de start heb gestaan. Ik stond stijf van de spanning en was in mijn droom aan het sleeën.”

Deze ontboezemingen van Glas zorgen ervoor dat de zenuwen zich van Van Eck beginnen meester te maken. Dat wordt er niet beter op als Arend opsomt wat er allemaal mis kan gaan in een run: “Zeker in het begin ben ik vaak gecrasht. Dat is een onderdeel van het leerproces. Ik sleede in mijn tweede jaar voor het eerste met een eigen slee en toen ben ik acht keer onderuit gegaan. Vaak ging het mis op stuurfoutjes of omdat je eens een andere lijn wilt proberen.” Als de zenuwen bij Van Eck en ook de andere gasten tijdens het sponsorweekend door de keel gieren, stelt Arend Glas hen ook gerust: “Ik heb nu inmiddels wel 1.500 afdalingen gemaakt. Nu houd ik de bob meestal wel in de baan.” Als het misgaat, blijft het volgens Glas meestal bij lichte verwondingen. Blauwe plekken, blessures aan de schouders of in het ergste geval een hersenschudding.

Een hele geruststelling is dat Glas de baan in Winterberg aanduidt als relatief gemakkelijk: “De baan is heel technisch en halverwege versnelt de baan heel erg. We halen hier snelheden van zo’n 130 kilometer per uur.” Glas adviseert zijn nieuwe passagiers om tijdens hun eerste run zo lang mogelijk mee te kijken: “Dan zie je wat ik als piloot ook zie. Anders word je alleen maar heen en weer gegooid. Als je een bocht ziet aankomen, kun je meebewegen.”

Bij de start van de bobbaan tijdens dit sponsorweekend is het gezellig druk. Glühwein, koffie en braadworst vinden gretig aftrek bij de koek en zopie. Dat de run toch niet helemaal zonder gevaar is, blijkt uit het feit dat iedereen eerst een formulier moet ondertekenen. De achterliggende gedachte hiervan is dat iedereen op eigen risico naar beneden gaat.

Dan is het zover. Wim van Eck kan zijn plaats in de bob innemen. Zijn indruk van zijn eerste run in eigen woorden: “Inderdaad, comfortabel is anders. In een soort ijzeren frame kunnen vier mannen zitten, de benen geklemd om degene die voor je zit. De handen in een ijzeren handgreep om op de plaats te blijven. Om de veiligheid van de passagiers te garanderen neemt iedereen – in tegenstelling tot een wedstrijdrun – voor de start al plaats in de bob. Twee leden van het team van Arend Glas duwen de bob op gang. Het begin van een film. Eerst steil naar beneden om vaart te maken, redelijk op tempo door de eerste bocht en dan de versnelling. De bochten komen als een flits op je af. Op 70% van de baan krijgt het begrip G-kracht ineens betekenis. Ik kan het advies van Glas om zolang mogelijk met hem mee te kijken niet langer opvolgen. Bij 130 kilometer per uur word je als passagier vol de bob ingedrukt en is het haast niet meer mogelijk het hoofd omhoog te krijgen. In de laatste bochten-serie gaat mijn helm van de ene naar de andere rand van de bobslee. Twee bochten en meerdere blauwe plekken verder doet de remmer zijn werk en is de run alweer voorbij. Wat het met je doet, blijkt pas bij het uitstappen. Bezwete hoofden komen onder helm vandaan. Een minuut stilzitten bij twee graden onder nul kan behoorlijk inspannend zijn. De adrenaline giert door mijn lichaam. Hoewel ik een beetje duizelig ben en mijn hart bonkt, is het gevoel geweldig. Op de vraag hoe vond je het, verzucht ik: Nog een keer!”